Verbs expressing motion or change of state:The verbs komen (to come), gaan (to go), worden
(to become), gebeuren (to happen), zijn, and
certain other verbs, if they express motion to a destination, such as fietsen, zwemmen (to swim), rijden (to ride), vertrekken (to leave or depart), lopen (to walk), etc. take the helping verb zijn.
ik ben gekomen, jij bent gekomen, hij is gekomen, etc.
ik ben gegaan, jij bent gegaan, hij is gegaan, etc.
ik ben (naar school (to school)) gefietst, etc.
Also:
de trein is vertrokken (the train has left), etc.
het is gebeurd (it has happened), etc.
het is koud geworden (it has become cold), etc.
Also:
hij is geboren (he was born), etc.
hij is gestorven (he has died), etc.
zij is getrouwd (she was married), etc.
Note: if the stem of a verb begins with ge-, it does not add another ge- in the past participle. Verbs beginning with ver- or be- also have this exception. Look closely at gebeuren and vertrekken above.
Exercise 34. Give the correct form of the verb, in the Present
Tense, the Past Tense, and the Present Perfect Tense:
Hint: look ahead to chapter 4 for the conjugations of praten, studeren, and beantwoorden.
1. Ik (zijn) (g)een meisje.
2. Mary (zijn) ook een meisje.
3. (Zijn) jij een man of een vrouw?
4. Hij (hebben) een goed boek.
5. (Hebben) jij ook een mooi boek?
6. De jongen (wandelen) in de tuin.
7. Mary (werken) in de stad.
8. (Luisteren) jullie naar de radio?
9. Philip (luisteren) niet.
10. Hij (praten) te veel.
11. De atleet (oefenen) elke morgen (morning).
12. Waar (planten) je vader de boom?
13. Ik (kennen) (to know a person) de vrouw niet.
14. Suzan (branden) haar vinger.
15. (Zagen) (to saw, cut) jij het hout voor het vuur?
16. (Wonen) (to live) je vriendin in Grand Rapids?
17. Nee, zij (wonen) in Grand Haven.
18. Ik (pakken) het boek van de tafel.
19. Waar (zijn) het boek?
20. Het kind (spelen) (to play) buiten (outside).
21. Waar (maken) ze auto's?
22. Zij (singular) (studeren) Nederlands.
23. De student (beantwoorden) de vraag (question).
24. (Oefenen) jij elke (every) dag op de piano?
25. De speler (raken) (to touch) de bal (ball).
Exercise 35. Change the following sentences first a) into the Past,
then b) into the Present Perfect Tense.
1. Meneer Van Dam werkt in Amsterdam.
2. Hij heeft een mooi huis.
3. Hij woont niet in de stad.
4. Is zijn vrouw ziek?
5. Mevrouw Van Dam fietst elke dag naar de stad. (motion)
6. Haar dochter (daughter) gaat (ging - gegaan: to go) ook naar de stad.
7. Zij praten met de bakker.
8. De bakker bakt (bakte - gebakken) heerlijk (delicious) brood.
9. Het regent vaak (often) in Nederland.
10. De studenten luisteren naar (to) de leraar (teacher).
11. Zij kennen de goede antwoorden.
12. Ik hoor een man in het huis.
13. Mijn zuster leert elke dag veel nieuwe woorden.
14. Wij oefenen in de garage.
15. De groente van de markt smaakt heerlijk.
16. Lenen jullie altijd geld bij de bank?
17. De baby speelt in de kinderkamer.
18. Vader parkeert zijn auto voor de voordeur.
19. Kook jij de groente altijd zo lang?
20. De vrouwen winkelen in de stad.
21. Het vuur brandt al (already) een uur.
22. Ik zeil graag (with pleasure) op het IJsselmeer.
23. Waarom (why) beantwoord je mijn vraag niet?
24. Zij halen (to fetch) de fiets uit (from) de schuur (shed).
25. Wim plaagt de hond.
