All conjunctions in Dutch, except the four above, are subordinating
conjunctions, which means that the clause which they introduce is subordinate
to the main clause in the sentence and this implies that the word order
in that clause undergoes a change. This distinguishes Dutch from English
and thus constitutes a major problem for English speaking persons learning
Dutch. The most important rule to remember is that the verb (or verbs)
in the subordinate clause always go(es) to the end of that clause.
Two very common subordinating conjunctions are omdat and dat.
Mnr. Van Dam werkt vandaag niet. Het is zondag.
Mnr. Van Dam werkt vandaag niet omdat het zondag is.
or
Omdat het zondag is, werkt mnr. Van Dam vandaag niet.
Mev. Van Dam zegt: Hij gaat vandaag niet naar de stad.
Mev. Van Dam zegt dat hij vandaag niet naar de stad gaat.
Some other frequently used conjunctions are:
of if, whether
als if and when
aangezien since, because, considering that
tenzij unless (negative)
mits provided that, if (positive)
zodra as soon as
zodat so that
terwijl while
voordat before
nadat after
(al)hoewel (al)though
indien if, in case
toen when (only used in past tense)
wanneer when (only used in present and future tense)
Exercise 47. Vertaal de volgende zinnen in het Engels:
1. Ik ga als jij ook gaat.
2. Zij houdt van hem aangezien hij erg
vriendelijk is.
3. Wij gaan naar Amsterdam tenzij het erg koud (cold) is.
4. Je krijgt een nieuwe fiets mits ik genoeg geld heb.
5. We gaan naar huis zodra
Henk klaar (finished) is.
6. Ik luister goed zodat ik het goed begrijp (to understand).
7. Hannie zingt terwijl Henk op de piano speelt.
8. Wim luistert naar de
radio voordat hij naar bed gaat.
9. Mnr. Van Dam rust (to rest) nadat
hij getennist heeft.
10. Hij koopt een auto alhoewel hij weinig (little) geld
heeft.
11. We blijven thuis indien het regent.
Exercise 48. Combine the following pairs of sentences:
1. Moeder gaat naar huis. Zij heeft groente gekocht. (wanneer)
2. Ze gaat naar de bakker. Ze koopt altijd brood daar. (omdat)
3. Ze gaat op de fiets. Het regent hard. (tenzij)
4. Ze gaat naar de slager. Ze is klaar bij de bakker. (zodra)
5. De bakker praat met moeder. Zij betaalt hem. (terwijl)
6. Het brood is vers. Hij heeft het vanmorgen gebakken. (want)
7. Moeder gaat naar de markt. Ze heeft vlees gekocht. (als)
8. Ze koopt groente. Ze heeft nog boontjes. (hoewel)
9. De student luistert goed. Ze begrijpt het niet. (aangezien)
10. De student luistert goed. Ze begrijpt het wel. (hoewel)
11. Ik houd van hem. Hij is erg aardig (nice). (want)
12. We gingen naar huis. De les was om (finished). (nadat)
Exercise 49. Using one of the conjunctions given combine the
sentences below. The resulting sentence should make sense.
en, maar, want, of (or), of (whether), dat, omdat, aangezien, alhoewel, toen, indien, als, zodra, tenzij, voordat, nadat, mits, wanneer, zodat, waarom, terwijl.
1. Vader vraagt (het). Hannie heeft haar huiswerk al gemaakt.
2. Hannie zegt (het). Zij heeft het gisteren al gemaakt.
3. Ik heb honger. Ik heb veel gegeten.
4. Moeder speelt op de piano. Vader zingt een lied.
5. Hij skiet elke dag. Er is geen sneeuw.
6. Ik begrijp (het) niet. Jij kan het niet doen.
7. Wim houdt niet van zwemmen. Henk houdt er (it) ook niet van.
8. Meneer Van Dam rust een uurtje. Hij heeft de hele dag getennist.
9. Wij gaan morgen zeilen. De zon schijnt.
10. Ik help mijn vriend. Ik kan het ook niet.
11. Zij gaat naar de bibliotheek. Zij leent een boek.
12. Vader gaat naar bed. Hij is moe (tired).
13. Wim wil een ingenieur worden (to become). Hij wil een dokter
worden.
14. De baby lachte (lachen - to laugh). Hij zag zijn moeder.
15. Ik zal het weer uitleggen. Jij begrijpt het goed.
16. Wij kunnen (can) vertrekken (to leave). Jij bent klaar (ready).
17. Je kan (can) het krijgen (to get). Jij betaalt genoeg.
18. ??? 100 lenen. Je hebt niet genoeg geld.
19. Je moet (must) je kamer opruimen (to tidy). Je gaat uit.
20. Ik zal je opbellen (to call). Ik heb tijd.
Exercise 50. Join the following sentences beginning first with the main clause, then with the dependent clause, if possible.
1. Moeder is moe. Ze heeft hard gewerkt vandaag. (want)
2. Ik versta
(to understand) je niet. Je praat zo snel. (als)
3. Ik was mijn handen.
Wij gaan eten. (voordat)
4. Wim gaat vandaag niet naar school. Het is zaterdag.
(aangezien)
5. Vader leest de krant. Moeder kijkt naar de TV. (en)
6. Ik
ga naar school. Ik ben een beetje ziek. (hoewel)
7. Ronald zegt (het).
Het is koud. (dat)
8. Wij luisteren goed naar u. Wij begrijpen u niet.
(maar)
9. Henk vraagt (het). Ze eten om zes uur. (of)
10. Moeder antwoordt.
Ze eten pas om half zeven. (dat)
