Note: The term "strong verb" signifies that the vowel in the stem of the verb changes when the tense changes.
Infinitive Stem Past Indefinite Past Participle
doen (to do) doe deed (deden) gedaan
lopen (to walk) loop liep(en) gelopen
zeggen (to say) zeg zei(den) gezegd
zien (to see) zie zag(en) gezien
liggen (to lie) lig lag(en) gelegen
zitten (to sit) zit zat(en) gezeten
staan (to stand) sta stond(en) gestaan
gaan (to go) ga ging(en) gegaan
slaan (to hit) sla sloeg(en) geslagen
rijden (to ride, drive) rijd reed (reden) gereden
vragen (to ask) vraag vroeg(en) gevraagd
geven (to give) geef gaf (gaven) gegeven
kopen (to buy) koop kocht(en) gekocht
komen (to come) kom kwam(en) gekomen
weten (to know) weet wist(en) geweten
schrijven (to write) schrijf schreef (schreven) geschreven
blijven (to remain) blijf bleef (bleven) gebleven
krijgen (to get, receive) krijg kreeg (kregen) gekregen
lezen (to read) lees las (lazen) gelezen
onthouden (to remember) onthoud onthield(en) onthouden
ontdekken (to discover) ontdek ontdekteno ontdekt
ontvangen (to receive) ontvang ontving(en) ontvangen
Note: The v becomes an f at the end of a word. The z becomes an s at the end of a word.
If an infinitive begins with a prefix, e.g. be-, ver-, ont-, the Past Participle does not take ge-.
Exercise 41. a. Give the correct form of the verb. b. Translate a. into English. c. Rewrite a. in the Past Tense. d. Rewrite a. in the Present Perfect Tense.
1. Moeder (lopen) naar de winkel.
2. Zij (doen) boodschappen.
3. Zij (kopen) brood.
4. De bakker en moeder (zeggen) `Goede Morgen'.
5. Moeder (gaan) naar huis.
6. Vader (blijven) thuis vandaag.
7. Hij (lezen) een goed boek.
8. Henk en Wim (komen) thuis.
9. Zij (zijn) moe.
10. Henk (hebben) ook een beetje hoofdpijn.
11. De stoel (staan) achter de tafel.
12. Ik (zien) hem niet zo goed.
13. Waar (liggen) je boek?
14. Hannie (zitten) aan de tafel.
15. Waarom (slaan) jij je zusje?
16. Vader (rijden) met de auto naar zijn werk.
17. Wim (vragen) hem waar hij (werken).
18. Vader (geven) hem een duidelijk antwoord.
19. Wim (weten) niet waar zijn vaders kantoor (zijn).
20. (Krijgen) hij een goed salaris?.
21. Hannie (schrijven) elke week een lange brief.
22. Haar vriendin (lezen) de brief twee keer.
23. Zij (onthouden) elke woord in de brief.
24. Hij (ontdekken) een onbekend (unknown) eiland (island).
25. Henk (ontvangen) een mooie prijs (prize) voor zijn werk.
