There are three main relative pronouns in modern Dutch: die, dat, and
wat. (Wat will be explained later.)
If the antecedent is a de- word, the relative pronoun is die:
De man die daar loopt is mijn oom. (The man who goes there is my uncle).
If the antecedent is a het- word the relative pronoun is dat:
Wij wonen in het huis dat daar staat. (We live in the house which stands
there).
Exercise 56. Combine the following pairs of
sentences:
1. Het vliegtuig is geland (landed). Het vliegtuig komt uit Amerika.
2. De jongen loopt daar. De jongen is mijn neef (cousin).
3. Mijn oom en
tante wonen in Amerika. Mijn oom en tante hebben twee kinderen.
4. Henk
heeft een fiets. De fiets is erg duur.
5. Ze hebben twee kinderen. De
kinderen
spreken alleen Engels.
6. June is een meisje. June leert Nederlands.
7. Vader heeft een auto gekocht. De auto rijdt heel snel.
8. Hij heeft een
zusje. Zij heet June.
9. Zij heeft een broer. Hij heet Jim.
10. Wij gaan
naar het museum. Het museum is in Leeuwarden.
11. Ze gaan naar een stad.
De stad ligt in het Noorden.
12. Zie je die koeien? De koeien lopen in
de wei (meadow).
13. De muziek is heel mooi. Jij speelt de muziek.
14. De man rookt een pijp. De man is al een beetje oud.
15. De fiets staat
in de schuur. De fiets is nieuw. De schuur is oud.
16. Het meisje haalt
(gets) goede cijfers. Het meisje werkt hard.
17. De kinderen slapen al.
De kinderen waren erg moe.
18. De koffers zijn erg zwaar. De koffers
zitten
vol boeken. De boeken zijn zeer waardevol (valuable).
19. Mijn buurman
zaagt elke dag hout. Mijn buurman groet mij nooit. Het hout komt van
mijn
bomen.
20. ? ? 1993. Ik heb de koffer pas (just) gekregen.
21. De bakker heeft
brood.
De bakker heeft een goede naam. Het brood is lekker vers.
22. Er zijn
veel
vogels in onze tuin. De vogels zingen mooi. De tuin is niet zo groot.
23. Mijn tante bouwt een huis. Mijn tante woont in Nederland. Het huis is
heel
duur.
24. De schrijver heeft een nieuw boek gepubliceerd. De schrijver
is heel beroemd (famous). Het boek is heel mooi.
25. Ik heb een mooi
kleed
(rug) in de winkel gekocht. Het kleed is erg duur. De winkel is in de
hoofdstraat.
