| Moeten | Kunnen | Willen | Mogen | Zullen | |
|---|---|---|---|---|---|
| ik | moet/moest | kan/kon | wil/wilde | mag/mocht | zal/zou |
| jij | moet | kan | wil | mag | zal |
| hij | moet | kan | wil | mag | zal |
| wij | moeten/moesten | kunnen/konden | willen/wilden | mogen/mochten | zullen/zouden |
| jullie | moeten | kunnen | willen | mogen | zullen |
| zij | moeten | kunnen | willen | mogen | zullen |
De familie gaat in de zomer naar Nederland. De familie wil in de zomer naar Nederland gaan.
Ik rijd met de auto van mijn vader. Ik mag met de auto van mijn vader
rijden.
Exercise 53. a. Introduce the helping verb given in parentheses and b. rewrite the sentences in the Past Tense.
- Mnr. Van Dam werkt vandaag. (moeten)
- Hannie bezoekt haar vriendin.
(willen)
- Zij praten uren lang over jongens. (kunnen)
- De student leest
veel boeken. (moeten)
- Zij blijft niet thuis. (mogen)
- Wim en zijn
vriend gaan naar Engeland. (willen)
- Jij praat niet veel met je neef.
(zullen)
- Wij studeren zaterdags niet. (willen)
- Zij zien veel van
Nederland en Belgie. (zullen)
- Cor gebruikt de auto van mnr. Van Dam.
(kunnen)
- Als je hier woont, heb je veel geld. (willen, moeten)
- Wim leent de auto van vader zodra hij rijdt. (mogen, kunnen)
- Ik versta
je niet goed. (kunnen)
- Als je vroeg (early) komt, ga je mee. (willen, mogen)
- Wim leert Frans want hij gaat naar Parijs. (moeten, willen)
- Vandaag hebben wij geen huiswerk. (willen)
- Als de Amerikaanse familie
hier is, praat ik veel Engels (moeten).
- Aangezien hij in Amerika woont,
betaalt hij alles. (kunnen)
- Terwijl de vrouwen wandelen, doen de mannen
de afwas (dishes). (kunnen)
- Omdat je me zo goed geholpen hebt, ga je
vanavond naar de film. (mogen)
- Ik rijd niet in zo'n (such a) grote
auto. (kunnen)
- Zij zegt dat zij vanmiddag niet veel eet. (willen)
- In Nederland rijdt je niet voor je eenentwintig bent. (mogen)
- Iemand
(someone) klopt aan de deur. Wie is dat? (kunnen)
- Het werkwoord staat
altijd voor of achter het onderwerp (subject). (moeten)
